USHWANA

 

het naamverervingsritueel bij de Nkoja van westelijk Zambia

 

Wim van Binsbergen

 

homepage

 

De Nkoja zijn een klein (ca. 40.000) volk van landbouwers, die nog maar een generatie geleden zich sterk toelegden op de jacht en het verzamelen van bosprodukten. In de achttiende en negentiende eeuw hadden zij staten met een indrukwekkende hofcultuur waarin vrouwen de toon aangaven; in de tweede helft van de negentiende eeuw werden deze staten opgenomen in de Barotse of Lozi staat.

            Verwantschap speelt in de Nkoja samenleving een grote rol. Het verwantschapssysteem is hier bilateraal, dat wil zeggen dat (ongeveer zoals bij ons, maar anders dan in de meeste Afrikaanse samenlevingen) de verwantengroep van vaderskant en van die van moederskant evenveel gewicht hebben, en dat geldt ook voor iemands ouders, grootouders etc. Iedereen behoort dus in aanleg tot een flink aantal elkaar overlappende verwantengroepen. Binnen elke verwantengroep tekent zich echter een vaste kern af: de bewoners van een dorp (variërend van 1 tot ca. 25 huizen). Mede omwille van hun geringe ledenaantal, lage vruchtbaarheid, hoge kindersterfte, en het langdurig of zelfs voorgoed afvloeien van leden naar stedelijk gebieden zijn deze dorpen (= gelokaliseerde verwantschapskernen) gewikkeld in een voortdurende, vaak grimmige competitie over leden. Iemands positie binnen de Nkoja samenleving wordt bepaald door het dorp waar hij of zij op een bepaald moment woont – maar dit is slechts een tijdelijke keuze voor één van de verscheidene verwantschapskernen waartoe iemand zich kan rekenen. Het dorp is uiteraard een ruimtelijk maar vooral een verwantschapspolitiek gegeven, men is ‘lid’ veel meer dan ‘inwoner’. Gedreven door persoonlijke conflicten, ziekte en sterfte, angst voor hekserij, en de ambitie om zelf een hoofdschapstitel te verwerven, maakt vrijwel iedereen vooral in de eerste helft van zijn leven een stoelendans door, naar steeds andere dorpen, andere verwantschapskernen, en andere oudere verwanten die als beschermers en sponsors optreden. (Het patroon verschilt niet veel voor mannen en vrouwen, zij het dat vrouwen door huwelijken ook niet-verwanten als patroons kunnen kiezen, terwijl zij de laatste honderd jaar niet meer meedingen naar hoofdschapstitels.) In dit proces zijn ook de dorpen zelf, als concrete plaatsgebonden verzamelingen huizen, verre van stabiel: de meeste dorpen hebben slechts een levensduur van tien tot twintig jaar.

            Wat verleent dan aan deze tamelijk vluchtige en willekeurige verzamelingen mensen een besef van eenheid, als basis voor dagelijks samenleven en produceren? Het antwoord ligt in hoofdzaak in gemeenschappelijke rituelen, waarvan het hier getoonde naamverervingsritueel (oesjwána) het belangrijkste is. De leden zien de verwantengroep als de verzameling van madhína (‘namen’): de hoofdschapstitel van dat dorp, en andere namen die, vrijwel als titels, circuleren binnen de groep en als eigendom worden beheerd. De namen staan voor nagenoeg onveranderlijke sociale persoonlijkheden die in het verleden in de voorouders waren geïncarneerd, die bij hun overlijden aan de huidige leden werden doorgegeven, en die door deze laatsten moeten worden doorgegeven aan toekomstige generaties – terwijl men tevens gelooft dat rivale verwantengroepen, geconcentreerd in omliggende dorpen binnen dezelfde vallei, voortdurend trachten zich die namen toe te eigenen, hun dragers te doden, en toekomstige dragers aan te lokken langs lijnen van verwantschappelijke patronage. In de beleving van de Nkoja is dit alles letterlijk een strijd op leven en dood, waarbij beschuldigingen van hekserij en van gifmoord aan de orde van de dag zijn; veel ziekte en onheil wordt geïnterpreteerd binnen dit kader.

            Het oesjwana ritueel waardoor de overdracht van de naam wordt bewerkt, is een uiterst emotioneel, zij het naar buiten toe vooral feestelijk, ritueel, dat gewoonlijk plaatsvindt zes tot achttien maanden na het overlijden van de drager van de te erven naam. Samen met de naam en de meest intieme bezittingen van de overledene (kleding, gebruiksvoorwerpen) erft de erfgenaam de sociale persoonlijkheid van de overledene, en neemt aldus in rituele zin (en soms in letterlijke zin) de kinderen en zelfs de echtgeno(o)t(e) van de gestorvene over. Zoals blijkt uit de woorden waarmee de erfgenaam wordt toegesproken op het hoogtepunt van het ritueel, maakt oesjwana de erfgenaam tot de overledene zelf die is teruggekeerd uit de dood en door de verwanten weer wordt verwelkomd.

            Aldus viert het ritueel de overwinning van de verwantengroep op de dood en bij implicatie op de hekserij-aanvallen van concurrerende groepen. Maar een belangrijke functie van het feest is juist om tijdelijk aan deze conflicten binnen de vallei te overstijgen. Naast de leden van het dorp die het ritueel organiseren en er de aanzienlijke kosten van dragen (grote hoeveelheden bier en brandhout, en witte kleding voor de erfgenaam), naast stedelijke migranten die speciaal voor de gelegenheid zijn overgekomen, en naast onmiddellijke verwanten van de hoofdrolspelers, nemen met name de leden van de omringende dorpen in de vallei uitdrukkelijk deel aan oesjwana. Een grote rol is hierbij toebedeeld aan de jongste generatie. De belangrijkste dansers en muzikanten zijn tieners uit de hele vallei, die over het algemeen slechts de feestnacht meemaken en naar huis terugkeren (meestal na amoreuze omwegen) nadat de muziek in de nanacht verstomd is; de grote rol van de jongeren heeft een diepe betekenis: zonder hen niet de continuïteit van de samenleving tegen het vaak disruptieve machtsstreven van de oudsten in. De erfgenaam is dan al aangewezen door de oudsten, maar moet binnen een rieten omheining nog een fase doormaken van rituele afzondering alvorens – bij een daartoe speciaal opgericht heiligdom in de vorm van een gevorkte tak – in de eerste stralen van de ochtendzon te worden voorgesteld aan de gemeenschap als de nieuwe drager van de naam.

            In het op de foto’s getoonde ritueel (Kingebe village, Njonjolo valley, Chief Kahare's area, oktober 1977) is de erfgenaam een jong meisje (A), en de erflater haar tante (B). Bij de afzondering binnen de omheining wordt zij ter zijde gestaan door haar moeder (D). In de openbare eindfase van het ritueel verschijnt de erfgename naast de weduwnaar (C) en zijn twee kinderen uit het huwelijk met de overledene (E en F).

 

 

De uitverkiezing was voor het meisje een volslagen verrassing, en zoals gebruikelijk reageerde zij in eerste instantie met grote ontzetting en afwijzing – wat goed uit de foto’s blijkt. De Nkoja geloven dat een erfgenaam ziek of gek kan worden, of zelfs spoedig zal sterven, indien (zoals nogal eens voorkomt) de naam niet blijkt te passen. Meer in het algemeen kan men twee redenen aangeven voor de ambivalentie tussen uitverkiezing en ontzetting die karakteristiek is voor oesjwana: door het erven van de naam wordt de, in elke cultuur met diepe emoties versterkte, grens tussen leven en dood doorbroken; en bovendien legt de groep (op de foto’s zichtbaar als een kluwen verwanten waaronder de erfgename wordt bedolven), door de uitverkiezing tot erfgenaam, aan de erfgenaam voor het eerst een grote verantwoordelijkheid ten aanzien van de verwezenlijking van groepsbelangen zoals die binnen de eigen cultuur worden gezien.

            Bij de Nkoja wordt het basismodel van oesjwana toegepast voor elke overledene. De installatie van een nieuw dorpshoofd en zelfs van een koning is slechts een uitvoeriger versie van het ritueel zoals hier getoond: dan compleet met het zingen van de specifieke lofliederen die voor elke koninklijke titel bestaan, het tonen van de koninklijke attributen, de geheime medicatie door de hofpriesters, een massaler opkomst, en de aanwezigheid van traditionele en moderne politieke functionarissen. Overigens is het hier geschetste patroon van naamsvererving allerminst beperkt tot de Nkoja maar wijdverbreid in Centraal en Zuidelijk Afrika.

            Het onderzoek van rituelen zoals oesjwana is geen vlucht in exotisme. Het brengt ons tot dieper inzicht in de samenlevingen waarin het zich voordoet, in universele patronen van ritueel waar ook ter wereld, en doet ons ten slotte (en dat is de belangrijkste boodschap van dit fotomateriaal) de deelnemers kennen in een voor ons invoelbare menselijkheid.

 

1. Vanaf de vroege avond zijn de muzikanten op hun post op de feestplaats midden in het dorp.  
2. In een wijde kring om het orkest en de jonge meisjes heen, dansen de volwassenen de hele nacht de basisvorm van de belangrijkste feestdans, die róehñwa heet.  
3. De rustige danshoudingen van de volwassenen contrasteren met....  
4. ...De vervoering van de jonge meisjes die zich bij het orkest verdringen.  
5. Op een niet te voorspellen moment ergens tussen tien uur ’s avonds en drie uur ’s morgens storten de oudsten (die eerder in conclaaf bijeen zijn geweest) zich op één van de talloze dansers: de niets vermoedende kandidaat van hun keuze, een meisje van tegen de twintig.  
6. De kandidate ligt op de grond bedolven onder de macht en de verwachtingen der oudsten; de laatsten vormen bijna een tunnel van generaties aan het eind waarvan wij nog juist een arm en kleren van de kandidate kunnen ontwaren.  
7. Het rieten windscherm is het symbool van uitstek van de Nkoja samenleving. Het roept naar vorm het ideaal op van het erf dat zijn leden beschermend omvat. Naar materiaal herinnert het aan de vroegste geschiedenis van de Nkoja, toen zij in de nabijgelegen moerassen woonden op drijvende eilanden van riet; en aan de Lozi bijnaam van de onderdanen van het plaatselijke volkshoofd Mwene Kahare: de Mashasha, ‘Dragers van Rieten Slaap­matten’. Ondanks haar verzet wordt de kandidate naar het speciaal voor deze gelegenheid opgerichte rieten windscherm gesleept, waar zij wordt ondervraagd en smartelijk protesteert tegen haar uitverkiezing als erfgename. Angst en hulpeloosheid zijn van haar betraande gezicht te lezen.  
8. In het windscherm wordt de kandidate gereinigd met medicinale rook — een gebruikelijk onderdeel van rituelen bij de Nkoja.  
9. Terwijl zich binnen het windscherm de oudsten bezighouden met de kandidate, dansen de jonge meisjes dicht bij het orkest zo lang mogelijk door, tot drie, vier uur in de morgen.  
10. Maar de volwassenen leggen zich tussen de huizen te rusten: buiten, zoals ook op een begrafenis gebruikelijk is.  
11. De muziek is verstomd rond vier uur. Rond zonsopgang begeven enkele muzikanten zich met hun instrumenten terug naar het dorp waar het feest wordt gehouden.  
12. Andere instrumenten zijn in de nanacht opgehangen in het voorouderlijke heiligdom van het feestdorp: een verzameling gevorkte takken; een in het heiligdom opgehangen kalabas en een oud olieblik bevatten offergaven van zelfgebrouwen bier. De trommels zijn op zich vol met magische en vorstelijke krachten, en doen dienst als symbolen van hoofdschapstitels en van dorpen.  
13. Inmiddels is in het windscherm de kandidate in een witte jurk gekleed (de geruite mouwen zijn een inbreuk, maar voor een nieuwe jurk helemaal volgens de regels is er eenvoudig geen geld). De weduwnaar van de gestorvene zit op de grond, voor het laatst openlijk treurend over zijn verlies. Zijn schoonzuster, de moeder van de kandidate, stopt haar dochter wat munten in de hand om haar met de verdere rituele stappen te verzoenen, en om de overledene te eren wier incarnatie zij bezig is te worden. Alle gezichten dragen de sporen van verse tranen.  
14. Men bereidt zich voor op het ontroerende hoogtepunt van het oesjwána-ritueel: de openbare begroeting van de teruggekeerde (naam van de) overledene. De kandidate heeft al plaatsgenomen op een rieten mat in het midden van het dorp, en haar moeder bindt, lachend nu, met een witte doek het oudste kind van de overledene op haar rug, om ook dat naar de rietmat te vervoeren.  
15. Weduwnaar en erfgename hebben ieder op hun eigen rietmat op de feestplaats plaatsgenomen. De feestgangers die tot dit moment zijn gebleven, groeperen zich om de hoofdpersonen. De beide kinderen van de overledene worden afgeleverd bij de erfgename (hun nicht), die zich even als hun nieuwe moeder over hen ontfermt. Het is het juiste moment: de stralen van de ochtendzon (boden van voorspoed en van de toekomst) beroeren juist de hoofden van de staande aanwezigen.  
16. Terwijl de zon verder opkomt, sprenkelen één voor één de oudsten, naaste verwanten en andere feestgangers sorghum-meel op de kruinen van de erfgename, de weduwnaar en de twee kinderen, ten teken dat de terugkeer van de persoon van de gestorvene een publiek aanvaard feit is. Het meel is enerzijds een offergave aan de overledene (de Nkoja gebruiken het bij alle voorouderritueel), anderzijds een zegenende en reinigende sub­stantie voor de hoofdpersonen. Men maakt van de gelegenheid gebruik de gestorvene welkom te heten bij haar terugkeer onder de levenden. Met veel nadruk en ontroering noemt men de erfgename bij de specifieke ver­want­schapsterm waarmee men de erflater tijdens haar leven aansprak. Ook geeft men de erfgename/overledene giften in de vorm van munten.  
17. De gemeenschap die door het overlijden was geschonden is nu weer hersteld: een naam is voor de in het dorp geconcentreerde verwantenkern behouden, en de beschuldiging van hekserijmoord aan het adres van naburige dorpen binnen de vallei kan na de saamhorigheid van nachtelijke dans en het ochtendlijke begroeting weer vergeten worden. Er is weer plaats voor ontspanning en humor, hoewel de hoofdpersonen daar nog even niet in delen.  
18. Nadat de openbare begroeting is afgerond, wordt de erfgename op een mat neergezet naar de open hut die als opslagplaats gediend heeft voor de honderden liters bier die voor deze gelegenheid zijn gebrouwen, en waarvan het grootste deel al in de afgelopen nacht is opgedronken. Maar zoals het gesjouw met email emmers en teiltjes aangeeft, is er nog genoeg bier over.  
19. Niet alleen door hernieuwd biergebruik maar ook door het inzetten van een ander type feestdans (de makwàsja, die aan de ouderen is voorbehouden, — nadat de jongeren tijdens de nacht de show gestolen hebben) wordt duidelijk dat het ritueel op zijn eind loopt.  
20. Terwijl de volwassen feestgangers de makwasja dansen mogen de hoofdpersonen weer aandacht tonen voor het normale sociale leven.  
21. En na de meest bewogen nacht van haar leven kan de erfgename weer lachen.  

 

LITERATUUR

W.M.J. van Binsbergen

1981          a.      Religious Change in Zambia: Exploratory Studies, London/ Boston: Kegan Paul International for African Studies Centre.

                  b.      ‘Theoretical and experiential dimensions in the study of the ancestral cult among the Zambian Nkoya’, paper read at the symposium on Plurality in Religion, International Union of Anthropological and Ethnological Sciences Intercongress, Amsterdam, 22-25 April, 1981. (beschrijft in detail hetzelfde ritueel, bij dezelfde gelegenheid, als hierboven op de foto's verschijnt)

1987                   ‘De schaduw waar je niet overheen mag stappen: Een westers onderzoeker op het Nkoja meisjesfeest’, in: W.M.J. van Binsbergen & M.R. Doornbos (eds), Afrika in spiegelbeeld, Haarlem: In de Knipscheer, pp. 139-182; English version: ‘The Shadow You Shall Not Step Upon’: A Western researcher at the Nkoya girls’ puberty rite, western central Zambia', in: van Binsbergen, W.M.J., Intercultural encounters: African and anthropological lessons towards a philosophy of interculturality, Berlin/Muenster: LIT, ch. 3, pp. 93-124.

1992                   Tears of Rain: Ethnicity and history in Central Western Zambia, London/Boston: Kegan Paul International for African Studies Centre.

 


homepage

page last modified: 2004-09-02 12:47:54

page last modified: 02-09-04 12:47:54